Geschiedenis Suriname tot 1975

Oudste bewoners

Algemeen wordt aangenomen dat de oudste bewoners van Amerika uit Azië afkomstig waren en ongeveer 30.000 jaar geleden Alaska bereikten via de toen droge Beringstraat. In de loop van vele eeuwen verspreidden zij zich over geheel Amerika. Waarschijnlijk verliep die verspreiding min of meer noodgedwongen, enerzijds doordat de dieren waarop men jaagde, schaars werden, anderzijds doordat verschillende groepen die later kwamen, de eerder gevestigde groep voor zich uitdreven.

Het is niet bekend wanneer de eerste Indianen , zoals de bewoners van Amerika door Columbus ten onrechte werden genoemd (in Suriname Inheemsen genoemd), het gebied van het tegenwoordige Suriname hebben bereikt. De tot nu toe oudste sporen van bewoning werden aangetroffen in het uiterste zuiden, in de Sipaliwini-savanne. Men vond er stenen voorwerpen: pijl- en speerpunten, vuistbijlen, messen. De makers zullen jagers en verzamelaars zijn geweest , die naar schatting 10.000 tot 7.000 jaar geleden leefden.

Ongeveer 6000 jaar geleden gingen de Indianen in het centrale Amazone- gebied aan akkerbouw doen, waardoor er meer voedsel beschikbaar kwam en de bevolking kon groeien. Men neemt aan dat de groei soms zo sterk was dat een deel van de bevolking wegtrok op zoek naar nieuwe gebieden. Via de Amazone, de Orinoco en andere rivieren kwamen weggetrokken groepen tenslotte bij de kust aan. Waarschijnlijk trokken groepen Indianen c.q. Inheemsen die tot het volk van de Arowakken hoorden van de Orinoco-monding in zuidoostelijke richting langs de kust. Zij vestigden zich in de kustvlakte van Guyana. Deze Arowakken slaagden erin delen van de moerassige kustvlakte te veranderen in droge woonplaatsen en landbouwgrond. Een voorbeeld daarvan is de Hertenrits in Nickerie. Deze landbouwmethode is echter verloren gegaan, waarschijnlijk door invallen van een ander Indiaans volk, de Caraïben. Deze groep bereikte de monding van de Orinoco als die van de Amazone. Langs de kust trekkend drongen zij van beide zijden het gebied van de Arowakken binnen en verdreven hen van de beste plaatsen. Aan de vijandschap tussen de Arowakken en Caraïben was nog geen einde gekomen toen de Europeanen Amerika veroverden. Hiervan wisten de Europese veroveraars te pofiteren.

Anders dan elders in Amerika zijn de Indianen (Inheemsen) in Suriname echter niet op grote schaal uitgeroeid. Tegen de Nederlanders hebben de Indianen, vooral de Caraïben, enkele jaren oorlog gevoerd, wat niet alleen leidde tot o.a. de verwoesting van een aantal Indiaanse dorpen. In 1686 werd vrede gesloten waarbij bepaald werd dat de Indianen niet meer tot slaaf mochten worden gemaakt.

Naast de Arowakken en Caraïben, zijn er in Suriname nog andere kleine Indiaanse groepen of stammen n.l. de Trio, de Wajana en de Akoerio.

(Bron: Geschiedenis van Suriname. Van stam tot staat., Bakker,E., Dalhuisen, L., Hassankhan, M, Steegh, F., Zutphen, 1993)

Kolonisatie

Reeds tegen het einde van de vijftiende eeuw ondernamen de Spanjaarden pogingen om het gebied langs de noord-oostkust van Zuid-Amerika te verkennen. Het was de Spanjaard Alonso de Hojeda die als eerste Europeaan de kust van Guyana bereikte.
Van Alonso de Hojeda is een standbeeld vervaardigd door de kunstenaar Erwin de Vries in opdracht van de Surinaamse regering en in 1968 geplaatst bij de samenvloeiing van de Suriname- en de Commewijnerivier bij het Openluchtmuseum te Niew Amsterdam.
In 1650 ondernam de Engelsman Francis Willoughby, Lord of Parham vanuit Barbados een expeditie o.l.v. Anthony Rowse naar Suriname met het doel een geschikte plaats te zoeken voor de vestiging van een nieuwe kolonie. (Fort Willougby)

In 1667 werd de Engelse kolonie door een Zeeuws eskader o.l.v. Abraham Crijnssen veroverd. Vanaf deze periode hebben de Nederlanders het bestuur over de kolonie Suriname in handen genomen (Geoctroyeerde Societeit), met enkele onderbrekingen in de periode 1804-1816 tijdens het Engels tussenbestuur. In de Geoctroyeerde Societeit waren drie aandeelhouders vertegenwoordigd m.n. de stad Amsterdam, de West Indische Compagnie (W.I.C.) en de familie van Aerssen van Sommelsdijk.

De koloniale samenleving werd bevolkt door groepen kolonisten afkomstig uit diverse Europese landen. Reeds in 1664 vestigden zich in de kolonie een groep Portugese Joden o.l.v. David Nassy. Onder het bewind van gouverneur van Sommelsdijk vestigden zich in de kolonie een groep Labadisten en Franse Hugenoten.
Ook Duitsers m.n. de Hernhutters kwamen in 1735 in Suriname aan. Door hen is de basis gelegd voor de vestiging van de Evangelische Broedergemeente in ons land.

In de achttiende eeuw arriveerden ook HoogDuitse Joden, onder hen bevonden zich enkele families uit Polen en Rusland.
De Nederlande boeren hebben kolonisatie pogingingen ondernomen in 1845 naar Suriname. Deze kolonisatiepoging mislukte vanwege slechte voorbereiding en organisatie.

Kortom, de kolonisten die de kolonie bevolkten waren afkomstig uit alle delen van Europa ; allerlei nationaliteiten, godsdiensten en maatschappelijke standen waren vertegenwoordigd. Veelal wilden zij binnen een kort mogelijke tijd fortuin maken en daarna huiswaarts keren. De blanke populatie bestond voornamelijk uit ambtenaren, plantage-eigenaren en militairen. De overige blanken kwamen als huursoldaat of gelukzoeker.In deze periode kan het karakter van de kolonie beschouwd worden als een plantage(exploitatie)-kolonie, waarbij het doel was om zo gauw mogelijk rijk te worden en terug te keren naar het vaderland.

Slavernij

Het verschijnsel van slavernij werd geïntroduceerd tijdens de Engelse kolonisatie o.l.v. Lord Willoughby. Er werd toen gebruik gemaakt van Inheemse- als negerslaven om de plantages te bewerken. Om zo gauw mogelijk te profiteren van de investeringen die zijn gepleegd bij de aanleg van plantages, was het nodig dat de plantage-eigenaren de beschikking kregen over goedkope arbeidskrachten. De vraag naar arbeidskrachten was enorm en er waren niet voldoende Inheemse arbeiders aanwezig om aan deze vraag te voldoen. Vandaar dat men naar andere mogelijkheden heeft omgezien om aan arbeiders te komen. De West Indische Compagnie (W.I.C.) had het monopolie van de slavenaanvoer in Afrika in handen en volgens het Octrooi van 1682 waren zij ook verplicht slaven te leveren aan de kolonie Suriname. Dit duurde tot 1734. Hierna werd het aan het particulier initiatief overgelaten om slaven aan te voeren naar het Caraibisch gebied. Middels de zgn. driehoekshandel ( Europa-> Afrika-> Caraibisch Gebied) hebben de slavenhandelaren enorme winsten gemaakt.

Slavernij in Suriname werd als uitzonderlijk wreed ervaren. Slaven werden beschouwd als het eigendom van de meester en waren een middel om hem te helpen zo snel mogelijk rijk te worden. Slaven die verzet boden tegen de slechte behandeling, riskeerden o.a. lijfstraffen In Suriname werden de slaven te werk gesteld op de plantages (koffie-, suiker-, houtplantages e.a.). Naar de taak die men verrichtte konden de slaven onderverdeeld worden in ambachtsslaven, huisslaven, veldslaven. Onder de slaven-gemeenschap bevonden zich ook “dresnegers” (zgn. dokters)

De slaven hebben de onderdrukking die zij hebben ervaren niet altijd passief ondergaan. Verzet werd hiertegen geboden op verschillende manieren zoals het plegen van sabotage, brandstichting ( bijvoorbeeld de branden die in 1821 in Paramaribo zijn gesticht door Codjo, Mentor en Present) en marronage ( wegvluchten van de plantages om zich in de bossen te vestigen). Bekende strijders van de marrons zijn Boni, Barron en Joli Coeur.

Pas na de afschaffing van de slavenhandel in 1808 is enige verbetering opgetreden in de behandeling van slaven. Na deze periode was het niet meer toegestaan slaven naar Suriname te halen, waardoor de planters ook niet langer konden beschikken over de nieuwe aanvoer van slaven uit Afrika. Men kon alleen terugvallen op de natuurlijke aanwas van de al in de kolonie aanwezige slavenbevolking.

Aangezien slaven het eigendom van de planters waren, konden deze ook afstand doen van hun eigendom m.a.w. slaven konden vrijgelaten worden of gemanumiteerd worden. (manumissie)
Veelal werden de concubines en hun kinderen vrijverklaard (c.q. vrijgekocht) door de blanke vaders. Ook huisslaven die jarenlang de meester dienden konden in aanmerking komen voor manumissie. Vermeld dient te worden dat de kolniale overheid aanvankelijk voorwaarden stelde aan het manumitteren van slaven uit vrees dat de evenwicht tussen blank en zwart verstoord zou raken.
In 1862 werd de wet op de emancipatie aangenomen en afgekondigd. De slaven zouden met ingang van 1 juli 1863 de vrijheid krijgen, waartegen de eigenaren een schadeloosstelling ontvingen van f 300 per slaaf. De emancipatie ging gepaard met een staatstoezicht van nog tien jaren (1863-1873), waarbij de geemancipeerden gedurende deze periode loonarbeid moesten verrichten. Pas na 1873 werden de ex-slaven in alle opzichten vrije burgers van Suriname.

Contractimmigratie

Om de dreigende achteruitgang van de plantages na de afschaffing van de slavernij (1863) te voorkomen, werden reeds lang daarvoor pogingen ondernomen om contractarbeiders naar Suriname te halen. In dit kader werden in 1853 de eerste contractbeiders n.l. een groep Chinezen uit Java aangevoerd die tewerkgesteld werden op de gouvernemensplantage Catharina Sophia in Saramacca. In de periode 1853-1939 zijn in totaal 74.000 arbeiders aangevoerd en wel als volgt: 1% uit Madeira, 3% uit China, 4% uit West-Indie, 47% uit Brits-Indie en 44% uit Indonesie.

Contractarbeid was een systeem van onvrije arbeid, dat vanaf de introductie ervan veel kritiek heeft uitgelokt. In het Britse Imperium was o.a. de anti-slavernijbeweging ook na de afschaffing van de slavernij actief en leverde veel kritiek op het systeem van contractarbeid. Een belangrijk kenmerk van contractarbeid was de poenale sanctie. Dit hield in dat voor contractbreuk geen burgerrechterlijke, maar strafrechterlijke bepalingen van kracht waren. De interpretatie en toepassing van de contractvoorwaarden lagen in handen van de planters, districtscommissariaten, Agent-Generaal en rechters.

Hoewel het formeel zo was dat de immigrant uit vrije wil het land van herkomst verliet om voor een bepaald aantal jaren veld- of fabrieksarbeid te verrichten, werkte het systeem van immigratie (werving, tewerkstelling en behandeling c.q. rechtsbedeling) zodanig, dat velen in en buiten de kolonies zowel in de tijd van de contractarbeid als in onze tijd, het systeem hebben vergeleken met slavernij.

Het hoofddoel was om zich door middel van een vorm van onvrije arbeid te verzekeren van een zodanig aanbod van arbeiders in de kolonie dat de lonen op een voor de planters aanvaardbaar niveau bleven. Er werd een reservoir van goedkope arbeidskarchten gecreeerd , waardoor de vrije arbeiders, eerst de Creolen en later ook de immigranten, gedwongen waren genoegen te nemen met lage lonen.

Op 5 juni 1873 arriveerden de eerste Hindostaanse immigranten vanuit Calcutta, Brits-Indie. Tot 1916 zijn in totaal 34.304 immigranten uit Brits-Indie aangevoerd. Vanwege protesten uit India was de Britse regering genoodzaakt de emigratie van contractarbeiders naar alle delen van de wereld stop te zetten. Dit geschiedde onder druk van de nationalistische beweging onder leiding van Mahatma Ghandi.

Ondertussen werd op initiatief van de Nederlandse Handelsmaatschappij (N.H.M.), de eigenaar van de plantage Marienburg in 1890 de immigratie van Javanen als proef begonnen. Na het welslagen hiervan nam de regering de immigratie zelf ter hand in 1894. Deze immigratie heeft geduurd tot 1939 met dien verstande dat na 1930 slechts vrije immigranten zijn aangevoerd. In totaal werden 32.956 Javaanse Immigranten naar Suriname gehaald.

(Bron: Immigratie en Ontwikkeling, emancipatie van contractanten., Gobardhan-Rambocus, L., Hassankhan, M.S. (red.), Anton de Kom Universiteit, Paramaribo, 1993)

De volgende onderdelen zullen nog worden geplaatst:

top ^
login
Zoek in deze site: